Myopie bij kinderen: niet improviseren, maar samenwerken aan oplossingen

Kinderoogarts dr. Natalie Schaeken is lid van de Belgian Myopia Group, een groep Belgische kinderoogartsen die zich verdiept in de wereldwijde toename van bijziendheid. In haar praktijk merkt ze dagelijks de gevolgen van deze ‘myopiepandemie’. Voor haar is het duidelijk: het is tijd voor een goed gestructureerde aanpak, met aandacht voor oorzaken, preventie en bewezen oplossingen.

“De belangrijkste vraag is: waarom moeten we ingrijpen bij myopie?”, opent Natalie. “We zien wereldwijd een sterke toename, vooral bij jonge kinderen. De oorzaak is deels genetisch, dat weten we al langer, maar omgevingsfactoren spelen een steeds grotere rol. Kinderen zitten te veel binnen, werken veel van dichtbij en gebruiken voortdurend schermen. Dat zorgt voor een abnormale groei van het oog, en dus voor myopie”.

Dat er een verband is tussen nabijwerk en bijziendheid is volgens haar absoluut duidelijk. “Lezen, schermgebruik… het telt allemaal mee. En het probleem is dat kinderen steeds vroeger bijziend worden, en dat die bijziendheid vaak sneller verergert. Hoge myopie verhoogt het risico op ernstige oogaandoeningen. Binnenkort wordt myopie zelfs de grootste oorzaak van blindheid wereldwijd. Daarom is myopiemanagement zo belangrijk: hoe minder hoge myopie, hoe minder oogproblemen op lange termijn”.

Daglicht als medicijn

Vaak wordt in dit kader de bekende 20-20-2-regel genoemd. “Die regel komt eigenlijk uit het domein van droge ogen. Wetenschappelijk bewijs voor een effect op myopie is er niet echt, maar het is natuurlijk beter dan niets. Wat wél bewezen is: twee uur per dag buiten zijn helpt. Daglicht stimuleert vermoedelijk de aanmaak van dopamine in het netvlies, wat de groei van het oog gunstig beïnvloedt. Dat werkt vooral preventief”.

Daarom is haar belangrijkste boodschap: naar buiten. “Ons advies is minstens twee uur buiten per dag. Daarnaast: zo weinig mogelijk van dichtbij werken, en regelmatig pauzes nemen. We raden aan om schermen zo ver mogelijk van de ogen te houden, zo veel mogelijk korte pauzes te nemen en regelmatig in de verte te kijken”.

Als een kind toch bijziend wordt, is het aan de oogarts om in te grijpen. “Wij volgen kinderen met myopie elke zes maanden op en meten dan de groei van het oog. Als we zien dat het oog te snel groeit, kunnen we ingrijpen met bewezen behandelingen. De meest gebruikte is een lage dosis atropine-oogdruppels. Daarnaast zijn er ook myopieremmende brillenglazen en speciale contactlenzen. We zien in de praktijk goede resultaten, vooral in combinatie met atropine. Wel belangrijk: dit zijn geen gewone brillenglazen of contactlenzen. Dit zijn medische behandelingen en moeten altijd op voorschrift van de oogarts gebeuren. We kiezen het type op basis van wetenschappelijke studies en volgen dat strikt op”.

Over contactlenzen bij kinderen is ze voorzichtig. “Bij jonge kinderen doen we dat liever niet, zeker niet onder de twaalf jaar. Er is een hoger risico op infecties en complicaties. Vanaf een jaar of vijftien, zestien kan het wel, zeker als alternatief of aanvulling. Orthokeratologie, de zogenaamde ‘slaaplens’, werkt remmend, maar ook daar zijn risico’s. Bij zachte lenzen zijn er enkele opties, maar voorzichtigheid blijft altijd geboden”.

Samenwerking staat voorop

De rol van opticiens is volgens Natalie belangrijk, zeker bij het afleveren van speciale brillenglazen. Natalie: “De pasvorm is cruciaal. Die glazen hebben vaak een kleine zone waarin het zicht optimaal is. Kinderen moeten écht door het midden kijken. Daarom raden we ze meestal pas aan vanaf acht jaar. Er zijn verschillende speciale brillenglazen op de markt, waarvan er voor sommige meer wetenschappelijk bewijs is dan voor andere. Het is belangrijk om het voorschrift van de oogarts te volgen. Is er iets onduidelijk op het voorschrift? Dan kan men altijd contact opnemen met de oogarts”.

“De bril moet bovendien de hele dag gedragen worden. Anders is het effect beperkt. We schrijven ook altijd een volledige correctie voor; ondercorrigeren heeft geen zin en kan progressie van myopie veroorzaken.” Of een opticien zelf een voorstel kan doen? “Dat kan, maar altijd in overleg met de oogarts. Als een bepaald glasdesign niet het gewenste effect heeft, kunnen wij snel bijsturen”.

Natalie raadt opticiens dan ook aan actief contact te zoeken met oogartsen in de regio. “Absoluut. Ook is het goed als opticiens zich verdiepen in de beschikbare studies of bijscholingen volgen. Wij komen met de Belgian Myopia Group elke drie à vier maanden samen. Elk lid brengt zijn ervaring en lectuur mee, en zo houden we elkaar op de hoogte. Die kennis delen we ook met collega’s”.

Over het gebruik van atropine verduidelijkt Natalie dat het ’s avonds wordt ingedruppeld. “De dosis is zo laag dat het effect op de accommodatie minimaal is”.

Natalie begint met behandelen zodra ze bij jonge kinderen een evolutie richting hoge myopie ziet of bij een snel groeiend oog. “Zeker tot zestien jaar is opvolging essentieel. We meten tegenwoordig ook standaard de axiale lengte van het oog om de groei nauwkeurig op te volgen. Die groeicurve kunnen we visueel tonen aan de ouders en dat helpt enorm bij de bewustwording”.

De kernboodschap: niet improviseren, maar samenwerken

Tot slot vat Natalie het nog eens kernachtig samen: “Preventie blijft de basis: voldoende buiten zijn, minder nabijwerk, schermtijd beperken. En als er een behandeling nodig is, moet die goed worden opgevolgd: de juiste glazen, de juiste dosis atropine, correcte lenzen en alles onder begeleiding van een oogarts. En: niet zelf improviseren, maar samenwerken.”

Tags: